Home Nieuws Het mysterie van de 100 (2016) De dood wandelt mee (2015) Een wandelende tijdbom (2014) De Goudenkruisdragers (2012) Dood van een marsleider (2011) Het verdriet van de Vierdaagse (2010) Vrijdagmoorden (2009) De dood of de gladiolen (2008) Vierdaagse Auteurs Bestellen en contact
De dood of de gladiolen (2008):



De nacht voor de eerste dag


14 juli 2008

Zo chagrijnig was hij nog niet eerder geweest. Loom en alsof het hem geen lor meer interesseerde, manoeuvreerde hij de stadsbus door de donkere straten van Nijmegen, op weg naar de laatste halte. Hij hoefde alleen nog maar de bus naar de garage te rijden, op zijn fiets te springen en onder de wol te kruipen. Misschien moest hij morgen niet opstaan.
Maandenlang had hij ernaar uitgekeken en intensief getraind.Toen het bijna zover was en hij een dagenlang pijntje onder de voet eens inspecteerde, hadden drie likdoorns hem argeloos aangekeken. En uitgeschakeld. Zijn huisarts had de drie pitten uit het eelt van zijn voet gepeuterd en hem bezworen dat hij op tijd hersteld zou zijn. Maar de wondjes waren alle drie binnen de kortste tijd gaan ontsteken. Hinkelend was hij teruggegaan naar het spreekuur en had de huisarts erop aangesproken. Hij had hem gevraagd of hij de ingreep soms met een roestige schroevendraaier had gedaan. De huisarts verontschuldigde zich voor de gevolgen, maar begon zich al snel te verdedigen. Had hij wel alle dagen zijn voet in de soda gehad? Waren de pleisters op tijd verschoond? Had hij niet te veel gelopen? Daarop had de man aandachtig de voet bekeken en gezegd dat hij tot zijn spijt nog eens in het vlees zou moeten snijden om alle pus eruit te krijgen. De Vierdaagse, die moest hij maar uit zijn hoofd zetten. Dit jaar geen mars.
Dit jaar geen mars. De conclusie duizelde nog steeds door zijn hoofd. Twee jaar geleden slechts een kwart, vorig jaar nog een halve en dit jaar helemaal niks. Welke kwade geest achtervolgde hem?
Met een nagenoeg verlaten bus bereikte Rogier Hoofs het station en maakte de slinger voor de halte. Alsof hij het commando voerde op een zinkend schip, legde hij gehaast en ruw bij de halte aan. De bus veerde enkele tellen na. Hij opende de deuren en riep nog eens om dat dit het eindpunt was. Inderdaad, het eindpunt, ging er door zijn hoofd, het eindpunt van alle zomerpret. Graag had hij zijn voeten afgehakt om morgen op stompen aan de tocht te kunnen beginnen.
Hij keek in de binnenspiegel en zag dat er achter in de bus mensen bleven zitten.
‘Station!’ riep hij. ‘Eindpunt. Alsjeblieft, zeg.’
Op de achterbank zat een stel. Die twee hadden meer aandacht voor elkaar dan voor zijn bestemming. Rogier draaide zijn benen het pad in, verliet de plaats aan het stuur en slofte naar achteren.
De vrijage was wild en uitzinnig, zonder enige notie van de wereld om haar heen. De man lag voorover tegen de vrouw, een been gestrekt in het gangpad en van het andere de knie in de bank gedrukt. Terwijl zijn handen als geschrokken hagedissen over haar lijf gingen, hing zij achterover en onderging de vorsingen gulzig en met open mond. De man had zich onder haar blouse gewurmd, leek gevonden te hebben wat hij zocht en bracht zijn hoofd naderbij. Ineens realiseerde hij zich dat de bus wel erg lang wachtte om weer op te trekken. Verstoord keek hij op, recht in het gezicht van de buschauffeur.
‘Sorry,’ sprak Rogier nederig, ‘we zijn er.’ De man leek niet bepaald jong, het was niet zo’n gastje van wie je dit verwachtte. Het was een veertiger of zelfs een vijftiger en ook de vrouw had haar jeugd al
lang geleden ergens laten liggen.
De man ging rechtop zitten, kamde met zijn vingers zijn haar en tikte de vrouw op haar knie. ‘We zijn er,’ herhaalde hij de woorden van de buschauffeur. ‘Trees…’
‘Helemaal niet,’ sprak de vrouw half verdoofd, haar ogen nog gesloten. Maar toen de nieuwe situatie tot haar doordrong, schoot ze met een ruk aan haar blouse overeind. ‘Waar zijn we? Wat is er aan de hand?’
‘Het eindpunt van deze prachtige rit, mevrouw,’ zei Rogier gedienstig. ‘Het station. Ik ga nu naar de garage… Bedtijd…’
De man ging staan, schikte zijn trui en broek, klopte zijn kleren af alsof hij onder het stof zat en begon zich te verontschuldigen. Ze leken wel tieners, probeerde hij, maar daar waar de rede doorgaans fungeerde, zat het nog vol met bronstigheid. Hij kwam niet verder dan wat onsamenhangende woorden en gebaren.
De vrouw, geblondeerd en enigszins te dik, ging staan en deed alsof er niet veel aan de hand was. Ze meed Rogiers blik en wilde zo snel mogelijk de bus verlaten. Ze keek naar voren, naar de uitgang, kwam in beweging, stak een vinger op en zei: ‘Kijk nou.’


De eerste dag: de dag van Elst